INHOUD HANDLEIDING STUDIEVAARDIGHEDEN 1. AANTEKENINGEN MAKEN TIJDENS DE LES. 2 2. HUISWERK. 3 2.1. Voorbereiden van huiswerk. 3 2.2. Uitvoeren van huiswerk. 6 2.3. Evaluatie van huiswerk. 6 3. LEERWERK. 8 3.1. Voorbereiden van leerwerk. 8 3.2. Leren. 8 3.3 Evaluatie van leerwerk. 11 3.4. Evaluatie van proefwerk en SO. 12 4. MAAKWERK 15 4.1. Voorbereiden van maakwerk. 15 4.2. Maken. 15 4.3. Evaluatie van maakwerk. 16 5. WERKSTUKKEN MAKEN. 16 5.1. Voorbereiden van een werkstuk. 16 5.1.1. Drie fasen 16 5.1.2. Het logboek 18 5.1.3. Interview 19 5.2. Schrijven van een werkstuk. 21 5.2.1. Layout 21 5.2.2. De opbouw 21 5.3. Evaluatie van een werkstuk. 23 6. SPREEKBEURT. 24 6.1. Spreken in het openbaar 24 7. DISCUSSIËREN. 26 1. Aantekeningen maken tijdens de les. Als je netjes wilt werken, doe dan het volgende: - Zorg ervoor dat je steeds potlood, pen, kleurpotloden, gum, liniaal bij je hebt; - Streep iets dat fout is netjes door; gebruik geen andere manier om aan te geven dat iets fout is; - Sla tussen de diverse opgaven of onderdelen een regel over; - schrijf of teken geen zaken op je papier die niets met de stof te maken hebben; - Schrijf in de kantlijn de datum waarop je de aantekeningen maakt; - Schrijf bovenaan de bladzijde het onderwerp waarover je aantekeningen gaan; - Schrijf in de kantlijn het nummer van het hoofdstuk in je boek waarover je aantekeningen gaan. Bij het maken van aantekeningen let je op het volgende: - Als de docent iets herhaalt, betekent dit dat hij/zij het belangrijk vindt, markeer die tekst dus - Voorbeelden hoef je niet te onthouden, maar ze kunnen in je aantekeningen wel werken als geheugensteuntje; - Maak bij je aantekeningen gebruik van afkortingen, pijltjes, pijlen, schema's en tekeningen, dat kost minder tijd. Let daarbij op signaalwoorden. Controleer thuis of je aantekeningen duidelijk zijn. 2. Huiswerk 2.1. Voorbereiden van huiswerk. Huiswerk maken gaat gemakkelijker als je vooraf een planning maakt van wat je wilt doen. Wil je je huiswerk goed plannen, dan moet je inzicht hebben/krijgen in: - hoe lang kun je achter elkaar geconcentreerd werken? - welke andere taken moeten ook gedaan worden (sport, muziek, baantje)? - hoe zwaar is de dag op school? - hoeveel tijd heb je nodig om iets te leren/maken? Daarom is het belangrijk een huiswerkplanning te oefenen. Hoe ga je te werk? - Zorg dat je je huiswerk goed in je agenda hebt staan. - Bekijk in je agenda wat je moet doen voor school, schrijf het eventueel op een apart blaadje; - Noteer ook in je agenda of op het blaadje wat je naast je huiswerk nog wilt doen; - Schat in hoeveel tijd je voor iedere taak nodig hebt; - Vul in het schema (zie volgende pagina) in wat je gaat doen en hoe lang je er ongeveer over gaat doen. Doe dat met potlood, zodat je gemakkelijk kunt veranderen; - Probeer drukke dagen op te vangen door het maakwerk van zo'n dag al eerder te maken; - Bepaal de volgorde waarin je de taken gaat doen. Wanneer je de taken en de volgorde gaat bepalen, let dan op het volgende: - Wissel leerwerk en maakwerk af; - Doe eerst de dingen waar je je het beste op moet concentreren; - Geen twee talen na elkaar; - Leer een proefwerk of so altijd in meer dagen; - Ruim tijd in om jezelf nog eens te overhoren; - Leer liever drie keer tien minuten dan een keer dertig minuten; - Plan werkstukken goed in. Verdeel de opdracht in onderdelen en plan data waarop ieder onderdeel klaar moet zijn (zie ook H.5). In het schema vul je dus alles in wat je wilt doen. NB. Controleer naderhand of je planning klopte, alleen op die manier kun je leren plannen. Hieronder volgt een voorbeeld: |Taken |Za |Zo |Ma |Di |Wo |Do |Vr | |Ne |- |- |20 |- |15 |15 |SO | |Fa |10 |- |20 |10+10 |20 |PW |- | |Bi |20 |- |10 |20 |20 |15 |- | |Hockey |- |120 |- |- |90 |- |- | Huiswerkplanning |Taken |Zaterdag |Zondag |Maandag |Dinsdag |Woensdag |Donderdag |Vrijdag | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | | 2.2. Uitvoeren van huiswerk. Bij het huiswerk maken zorg je ervoor dat: - je bureau leeg is: alleen boeken/schriften die je op dat moment gebruikt liggen er; - je alleen aan je bureau zit als je werkt, uitrusten doe je op bed of op een andere plaats; - je geen Engelstalige muziek aan hebt staan als je Frans leert (dat geld voor alle talen). Hoe hou je er zin in? - Verdeel de taak in kleinere stukjes die je gemakkelijk aankunt; - Bedenk waar je de stof later voor kunt gebruiken of wat je ervan kunt leren; - Zie een tegenslag als een uitdaging, aan jou om te laten zien dat het de volgende keer wel lukt. Het is daarom belangrijk dat je steeds nagaat waarom het niet goed ging, dat moet je immers veranderen. Hoe blijf je geconcentreerd? - Een goede planning zorgt dat je niet hoeft te denken over alles dat je nog wilt doen; - Laat je niet afleiden, dus geen spullen op je bureau en probeer ergens te gaan zitten waar je niet door een ander kunt worden afgeleid; - Wanneer het niet goed lukt om je te concentreren, zoek dan eerst uit waarom. Misschien is het probleem snel op te lossen. Probeer het anders tijdelijk van je af te zetten; - Probeer eens een kookwekker. Zet de wekker op bijv. 15 minuten. Als 'ie afgaat kijk je zelf of je goed hebt gewerkt; - Als het echt niet meer lukt, is een pauze misschien verstandig. 2.3. Evaluatie van huiswerk. Evaluatie betekent: "naderhand nog eens kijken wat de waarde van een bepaalde handeling was en hoe men bepaalde fouten kan verbeteren" Om je huiswerk de volgende keer nog beter te plannen, moet je je na het huiswerk steeds afvragen: - Klopte de tijdsplanning? Hij hoeft niet perfect te kloppen, maar grote afwijkingen moet je goed bekijken en nagaan wat daarvan de oorzaak was. Bij je volgende planning kun je dat dan proberen te voorkomen door je planning aan te passen; - Hoe is het gegaan met je zin om te leren en met je concentratie? Waarom ging het goed of juist niet? Hoe kun je dat de volgende keer verbeteren? 3. Leerwerk. 3.1. Voorbereiden van leerwerk. Wanneer je iets moet leren, dan neem je vooraf drie belangrijke stappen: 1. Bekijken wat je precies moet leren; 2. Bedenken wat je al weet over: a) het onderwerp; b) hoe je het straks moet kennen (globaal, verbanden, precieze feiten, enz.) en c) hoe goed je daarin bent? 3. Na de bovenstaande stappen kun je bekijken welke manier van leren hier het verstandigste is (doorlezen, uit je hoofd leren, leren met schrijven, samenvatting, enz.). 3.2. Leren. De stof die je moet leren kan heel verschillend zijn: A. woordjes en formules; B. begrippen; C. tekst Ook de manier waarop je het beste leert is steeds anders. Dat hangt af van de stof en van degene die het leert (zie 3.1.). A. Systematisch woorden en formules leren Schaf voor de vreemde talen waar je moeite mee hebt een woordjesschrift aan. Voor de exacte vakken waar je moeite mee hebt, schaf je een formule- en samenvattingenschrift aan. Hoe ga je te werk? 1. Lees en bekijk de woorden goed. 2. Schrijf alle woorden en betekenissen in je woordjesschrift en controleer of je ze correct hebt overgeschreven. 3. Markeer de woorden die je vlugger kent dan andere, bijvoorbeeld met * - Welke woorden lijken op een Nederlands woord? - Welke woorden lijken op een ander vreemd woord dat je kent? - Herinner je je een afbeelding waar dat woord bij stond? - Misschien een ander ezelsbruggetje? 4. Laat de woorden van 3 even rusten (de bekende en de gemakkelijke). 5. Ga speciale aandacht besteden aan de woorden die nu nog over zijn gebleven. Geef deze ook een teken, bijvoorbeeld: een uitroepteken (!) - Gebruik daarbij je oren, ogen en je mond. Hoe meer zintuigen je gebruikt hoe beter. Alleen via je ogen leren helpt niet, je moet formules en woordjes altijd opschrijven. - Schrijf de moeilijke woorden nogmaals op in je schrift. - Bij het opschrijven spreek je de woorden hardop uit. - Dit hardop uitspreken moet je enkele keren achter elkaar doen. Je repeteert dan hardop. - Wanneer je sommige woorden er niet in kunt krijgen, schrijf je ze extra groot met je vinger op tafel of in de lucht. (proberen, helpt echt.) - Probeer woorden die qua betekenis bij elkaar horen, ook "in je hoofd" bij elkaar te zetten (begrippennetwerk). - Maak bij een moderne taal van een aantal moeilijke woorden een zin of zelfs een verhaal. 6. Je hebt twee verschillende geheugens: korte-termijn- en lange- termijn- geheugen. Alleen wat in je lange termijngeheugen zit onthoud je. Daarom moet je vaak herhalen. (Beter een aantal oude, moeilijke sommen opnieuw maken, dan nieuwe sommen tevergeefs proberen te maken). Denk er vooral aan om niet alles ineens te willen leren. 3 x 10 minuten is beter dan 1 x 30 minuten. Als je de woorden voor de tweede keer leert, let dan vooral op die woorden die moeilijkheden opleverden (zie 5). Repeteer tenslotte alle woorden nog eens. 7. Als je denkt dat je alle woorden kent, overhoor jezelf dan. 8. Een extra hulpmiddel bij woordjes leren is de leerdoos. Zie hiervoor bijlage 6. B. Begrippen leren. Hoe ga je te werk? - Bekijk de woorden op bekende onderdelen, soms kun je zo al een groot deel van de betekenis afleiden; - Lees de beschrijving goed; - Maak een begrippennet bij het begrip door: * er andere woorden bij te zoeken die ermee te maken hebben, * er in gedachten een plaatje bij te maken; * je er een gevoel of geur bij voor te stellen. Maak net als bij het leren van woordjes en formules gebruik van zoveel mogelijk zintuigen. C. Teksten leren. Hoe zijn veel teksten opgebouwd? TITEL is vaak al de aanduiding van een thema, de hoofdzaak, of hij is een smaakmaker of een eye-opener INLEIDING kan op verschillende manieren geschreven - als voorbeeld of anekdote (de rest van de tekst wordt eraan opgehangen) - als aankondiging van de hoofdzaken - als het stellen van een vraag MIDDENSTUK hierin treft men van alles aan. Per alinea zal de lezer de hoofdzaak moeten zoeken. Er kunnen redenen genoemd staan of oorzaken, voor- en nadelen, argumenten pro en contra en gevolgen enz.. Het kan ook een historische schets zijn. SLOT is vaak een conclusie die het thema of de hoofdzaak nog eens benadrukt. Deze indeling geldt voor zakelijke teksten. Ironische of sarcastische teksten zijn vaak anders opgebouwd. B. Uittreksel en schema maken Een uitttreksel of schema maak je om beter hoofd- en bijzaken in een geschreven tekst te onderscheiden; m.a.w. hoe ga je een tekst te lijf? I. Hoe maak je een uittreksel? - "Besnuffel" de tekst in grote lijnen. Bekijk: titel, indeling/kopjes, schema's, overzichten, illustraties. Ga na wat je zelf al weet over het onderwerp. Na afloop weet je globaal wat er in de tekst aan de orde komt. - Lees nu de tekst kritisch door. Onderscheid alinea's (hoofd- en subkopjes) Zoek per alinea de kern op. Die wordt vaak aangegeven met een onderstreping of een kopje of een trefwoord in de kantlijn. De kern is vaak de eerste, tweede of laatste zin van de alinea. Let op de structuren binnen een tekst, bv. tijdsvolgordes of oorzaak en gevolg. Deze worden vaak aangegeven door signaalwoorden. - Geef de tekst weer in telegramstijl. Alleen de hoofdzaken komen aan bod. Vragen die kunnen helpen bij het vinden van de hoofdzaken en structuren in een tekst: - wat geeft de titel aan? - over wie/wat gaat de tekst? - wat is dat voor iemand/iets? - wie/wat is erbij betrokken? - waar spelen de zaken zich af? - wanneer spelen ze zich af? - hoe gebeuren de dingen? - waarom/waardoor gebeuren ze? - wat is het gevolg ervan? - met welk doel gebeuren ze? - ondanks wat gebeuren ze? - wat is ervoor of -tegen te doen? II. Hoe maak je een schema? Bij ingewikkelde teksten biedt een schema vaak meer overzicht dan een uittreksel. - Een eenvoudig schema bestaat uit twee kolommen: Hoofdkopjes en Bijzonderheden. - Ook een boomschema kan gemakkelijk zijn, hiermee kun je een steeds fijnere verdeling maken. - Een tabel is handig als je verschillen tussen bepaalde begrippen moet onthouden. (Zie voor een voorbeeld bijlage ...) Het schema wordt in trefwoorden ingevuld. Maak gebruik van pijlen en andere symbolen, dan is je schema gemakkelijk te overzien. 3.3 Evaluatie van leerwerk. Om te controleren of je een tekst, de stof beheerst is het belangrijk om overhoorvragen te maken. Er zijn drie soorten vragen: 1. Kennis- of feitenvragen: vragen naar jaartal, feit, opsomming, betekenis en definities 2. Leg-uitvragen: vragen naar begrip, meestal waarom-, waardoor-vragen. 3. Toepassingsopdrachten: of dóórdenkvragen: toepassing van het geleerde op onbekende stof of bronnen, relaties kunnen leggen tussen oorzaak en gevolg. Hoe maak je die vragen? Begin met het indelen van de tekst. Voorzie deze van kopjes en subkopjes. - Zoek voor kennis- of feitenvragen naar belangrijke feiten en maak er vragen over. - Leg-uitvragen maak je door vragen te maken, die betrekking hebben op kopjes en subkopjes. - Voor toepassingsopdrachten moet je je afvragen of er binnen de lesstof méér verbanden of toepassingen mogelijk zijn dan er worden vermeld en daar vragen of maken. (Er kunnen bv. verbanden zijn met vorige lessen). Je weet zelf vaak wel wat voor vragen je leraar vaak stelt, hou daar dus rekening mee. Tot slot Bekijk steeds of je manier van leren goed is geweest (werkte mijn manier van leren prettig, ken ik het nu goed?). Als je het nog niet voldoende kent, ga dan na waar het probleem zit (bv. bij woordjes de betekenis of de schrijfwijze). Wat is daarvan de oorzaak en wat kun je eraan doen? Bekijk hoe je het de volgende keer aan gaat pakken. 3.4. Evaluatie van proefwerk en SO. Wat is er goed gegaan bij de vorige toets? Wat goed gegaan is moet je vooral zo houden! 1. Jouw manier om de vragen en opdrachten te lezen is goed: je hebt meteen de kern te pakken! 2. Je hebt je werk aan het eind gecontroleerd en nog wat fouten en slordigheden verbeterd. 3. Je houdt je hoofd koel tijdens een toets; je concentreert je op je eigen werk en je weet in je geheugen de weg te vinden naar de kennis die je hebt opgeslagen. 4. Jij leert op "inzicht": je legt verband met andere stof, je bent kritisch, je stelt veel vragen aan de leerstof. 5. Je bedenkt thuis al proefwerkvragen: een aantal ervan blijkt ook in het echt gesteld te worden: kassa! 6. Je let op de tijd en op netheid tijdens de toets: je hebt je werk op tijd af en de leraar heeft geen moeite met het nakijken van je werk. 7. Je manier van uit het hoofd leren is goed, want bijna alles wat je geleerd hebt weet je nog; bovendien heeft het van buiten leren je niet al teveel tijd gekost. 8. Jouw planning van de proefwerkvoorbereiding was in orde: je bent op tijd klaar met het voorbereiden, je hoeft niet te jakkeren en niet tot het laatst in de zenuwen te zitten. 9. Jouw concentratie tijdens de les was goed: daardoor hoefde je thuis minder te leren. 10. Aan de hulp die je gevraagd hebt, heb je veel gehad: nu snap je het veel beter dan eerst. Wat is er mis gegaan bij de vorige toets? Wat doe je de volgende keer anders? 1. Mis: je hebt de vragen/opdrachten niet goed gelezen. Anders: je leest de vragen/opdrachten nauwkeurig: -is het een enkelvoudige of meervoudige vraag? -wat is het onderwerp van de vraag? -kan ik de vraag in eigen woorden stellen? -wat zou de toetsmaker voor een antwoord willen lezen? 2. Mis: je hebt je werk aan het einde niet meer gecontroleerd. Anders: je neemt na elke toets een paar minuten aan het einde om alles nog even door de nemen: - neem afstand van je eigen werk: kijk even naar buiten, luister naar verre geluiden en keer dan met je aandacht weer terug naar je werk - probeer nu met de ogen van je docent (e) naar je werk te kijken: zou het haar/hem opvallen dat er iets ontbreekt? - controleer of je bij alle vragen voldaan hebt aan de norm (A- en B- vraag, maximaal veertig woorden, drie gegevens). 3. Mis: je bent onrustig geweest tijdens de toets, je hebt over allerlei dingen gepiekerd die niets te maken hebben met de leerstof. Anders: je zit rustig op je stoel en werkt geconcentreerd: - voel je rug tegen de leuning van je stoel, zet je voeten plat op de grond - let aan het begin van de toets op je ademhaling: rustig en diep - herinner je momenten waarop je geconcentreerd bezig was met een toets en voel je weer als toen. 4. Mis: je hebt wel veel kennis maar geen inzicht. Anders: je gaat met inzicht leren: - je kijkt terug naar eerder behandelde stof en legt het verband met nieuwe stof - je vraagt je steeds af: waar gaat het met name om? - je vat de stof samen in een helder schema of een puntsgewijs opgebouwde tekst. 5. Mis: je hebt je alleen op feitenvragen ingesteld, op de toets kwamen andere vragen. Anders: je stelt jezelf alle soorten vragen die op een toets kunnen komen (zie par. 3.3. Evaluatie van leren): - je bedenkt kennis- of feitenvragen (termen/begrippen/woorden zoals ze in de tekst voorkomen) - je bedenkt leg-uitvragen (wat zijn de hoofdzaken, per paragraaf) - je bedenkt toepassingsopdrachten(dwars door de leerstof heen, vragen over overeenkomsten en verschillen, oorzaken en gevolgen, problemen en oplossingen). 6. Mis: je hebt van je antwoordenblad een rommeltje gemaakt. Anders: je werkt overzichtelijk en zorgt voor een gemakkelijk na te kijken blad met antwoorden. -je zet de gevraagde gegevens boven de toets (naam, datum, vak, klas); -je zet een titel boven het werk; je laat enkele regels ongebruikt bij nieuwe onderdelen -je schrijft met blauwe of zwarte inkt en verzorgt je handschrift -je brengt verbetering/toevoegingen op een geaccepteerde manier aan (eenmaal doorstrepen of tussen vierkante haken). - je schrijft niet in de kantlijn 7. Mis: je bent een hoop parate kennis vergeten. Anders: je gaat beter uit het hoofd leren: -je leert in korte etappes en met veel herhalingen -je legt het verband met andere kennis -je gebruikt leerlijm (associëren om de kennis vast te plakken). 8. Mis: je hebt je niet geconcentreerd in de les. Anders: je concentreert je tijdens de toets: - je weet dat concentreren het beste lukt met een ontspannen lijf: diepe, rustige ademhaling, uitgerust gevoel, geen signalen van honger of pijn -je denkt terug aan de lessen over dit onderwerp: hoor de stem van de leraar, zie de aantekeningen op het bord en in je schrift. 9. MIs: je bent te kort van te voren begonnen en hebt je proefwerk daardoor onvoldoende voorbereid. Anders: je plant je proefwerkvoorbereiding: - als het proefwerk wordt opgegeven (of als je weet dat het gaat komen), maak je je een voorstelling van wat er allemaal nodig is om tot een goed resultaat te komen -je maakt tijd vrij om de voorbereiding in enkele etappes te doen -je maakt van het leerwerk maakwerk door jezelf opdrachten te geven (maak een schema, maak een samenvatting, stel overhoorvragen op). 10. Mis: je hebt geen hulp gevraagd toen je vastliep. Anders: je haalt bijtijds hulp om deze stof onder de knie te krijgen: -je vraagt allereerst op de plek waar het hoort om hulp: in de klas (aan de docent, aan een medeleerling) -als je daar te weinig reactie krijgt, kan je na de les aan de docent om hulp vragen -als je ook dan te weinig reactie krijgt, kan thuis (ouders, familie, buren, vrienden) om hulp vragen. 4. Maakwerk 4.1. Voorbereiden van maakwerk. Net als bij leerwerk, neem je drie stappen voordat je aan het werk gaat: 1. Bekijken wat je precies moet maken; 2. Bedenken wat je al weet over: a) het onderwerp, misschien moet je een bepaalde theorie of grammaticaregel toepassen; b) hoe je het moet maken (alleen de oplossing of de hele berekening, een enkel woord of een hele zin, moet er uitleg bij) en c) hoe goed je daarin bent? 3. Na de bovenstaande stappen kun je bekijken welke aanpak hier het verstandigste is. 4.2. Maken. Maakopdrachten kunnen veel van elkaar verschillen: A. Sommen B. Invuloefeningen C. Samenvatting maken D. Werkstuk Het maken van samenvattingen is besproken in par. 3.2. Leren, het maken van een werkstuk komt aan bod in het volgende hoofdstuk. Hieronder zullen we kort het maken van sommen en invuloefeningen bespreken: A. Sommen Hoe ga je te werk? 1. Lees de som goed; 2. Maak een plaatje (vooral bij verhaaltjessommen); 3. Zet alle gegevens in het plaatje; 4. Bedenk wat je al weet over de gegevens en de vraag (theorie, formules, eigenschappen); 5. Bedenk of je zo'n som al eens eerder hebt gemaakt; 6. Probeer nieuwe informatie te krijgen door gegevens te combineren; 7. Zoek een antwoord op de vraag (waarschijnlijk heb je die nu al kant en klaar); 8. Controleer je antwoord met een schatting; 9. Controleer of je op alle (deel)vragen antwoord hebt gegeven. B. Invuloefeningen Bekijk vooraf de theorie die bij de oefening hoort. Een oefening wordt pas nuttig als je weet wat je ervan kunt leren. Aan de hand van de oefening kun je dan kijken of je het begrepen hebt. 4.3. Evaluatie van maakwerk. - Wanneer je klaar bent met het maakwerk kun je zelf inschatten of je de bijbehorende theorie beheerst of niet. - Schrijf eventuele vragen op, zodat je ze de volgende les kunt stellen. - Let bij het nakijken in de klas goed op om te kijken of je toch nog fouten hebt gemaakt. Heb je misschien iets over het hoofd gezien? 5. Werkstukken maken. 5.1. Voorbereiden van een werkstuk. 5.1.1. Drie fasen Bij een lange-termijnopdracht zoals een werkstuk moet je je drie vragen stellen: 1. Is het onderwerp al door de docent(e) bepaald of moet je zelf een keuze doen? 2. Is het materiaal waaruit je informatie over het onderwerp moet zoeken al bijeengebracht of aangewezen door de docent(e), of moet je zelf informatie bij elkaar zoeken of proeven doen? 3. Hoever ben je al thuis in het onderwerp en in het materiaal of de proeven? Belangrijk is dat je de tijd goed indeelt. Bepaal voor je begint hoeveel tijd je voor verschillende onderdelen nodig hebt. Overleg zo nodig met de docent(e). Er zijn drie fasen: 1. Oriëntatie op je onderwerp. 2. Het eigenlijke onderzoek. 3. De uitwerking, van het op schrift stellen, van het vertellen over je onderzoek. Plan de data waarop ieder onderdeel klaar moet zijn. Zorg dat je een week vóór de inleverdatum klaar bent. Dan kun je de tekst nog eens "op afstand" doorlezen. FASE 1: A. Keuze. Moet je zelf een onderwerp kiezen denk dan aan volgende tips: -Denk niet te lang na. Kies een onderwerp en snuffel in de bibliotheek of er literatuur over is. Overleg met bibliotheekmedewerk(st)ers. -Perk je onderwerp in. Je kunt dit doen door je af te vragen: "Wat wil ik precies weten van..." Dus: Niet "zwervers", maar "zwervers in het centrum van Nijmegen." De originaliteit van een onderwerp wordt bepaald door hoe je het behandelt. Je hoeft dus niet per se op zoek naar een heel bijzonder onderwerp. -Als je denkt een goed onderwerp te hebben, overleg dan weer even. Twee mensen kunnen eenzelfde onderwerp heel verschillend behandelen. B. Informatie verzamelen. Zoek gegevens over je onderwerp in je schoolboek, encyclopedie, schoolbibliotheek, op Internet. Kijk in de mappen, die op onderwerp artikelen bevatten. Zo kom je aan de kern van je onderzoek. In andere bibliotheken kun je je onderzoek uitbreiden, maar ook in archieven, bij officiële instanties, bij personen die werkzaam zijn op jouw onderzoeksgebied enz.enz. C. Oriëntatie in het onderwerp. Lees je literatuur globaal door. Zo kom je op een hoofdgedachte of vraag of stelling en je definitieve inperking. D. Organisatie van het onderwerp. Het is handig bij het verzamelen van informatie gebruik te maken van een kladschrift. Op de rechterpagina noteer je in het kort de informatie. Op de linkerpagina noteer je, op dezelfde hoogte, in welk boek en op welke pagina je deze informatie hebt gevonden. Je kunt dan later desgewenst de gegevens altijd weer gemakkelijk terugvinden. Bij het verzamelen van de informatie ga je uit van vragen die je jezelf al eerder hebt gesteld. Het is handig als je in je kladschrift de informatie per onderdeel verzamelt. Voorbeeld: op de ene pagina alles over de godsdienst van de Inca's, op de volgende rechterpagina alles over hun bestuur, weer een volgende pagina hun leefgewoonten enz. Schrijf ook meteen titel, schrijver, jaar en plaats van uitgifte en uitgever op; dan is je literatuurlijst straks makkelijk te maken. Zie ook: par. 5.1.2. Het logboek FASE 2: Wanneer je voldoende gegevens hebt, kun je ze gaan ordenen tot een voorlopige indeling van een werkstuk waarbij ook de keuze van het materiaal voor je onderwerp en je methode wordt toegelicht. Als je een proef wilt opzetten moet je materiaal en methode uitzoeken. Neem hier weer voldoende tijd voor. Materiaal moet misschien gereserveerd worden, evenals een werkplek. Overleg regelmatig, om te voorkomen dat je de verkeerde weg bewandelt. Het kan ook zijn dat je iemand wilt interviewen. Neem ook hier weer voldoende tijd voor. Bereid je goed voor en maak op tijd een afspraak. Zie ook: Bijlage 2. Het doen van een onderzoek par. 5.1.3. Interview FASE 3: De uitwerking. Schrijf of typ netjes. Let op lay-out. Deze fase is uitgebreid uitgewerkt in par. 5.2. Schrijven van een werkstuk. 5.1.2. Het logboek Als je een onderzoek gaat doen, moeten alle resultaten vastgelegd worden. Je maakt aantekeningen op losse bladzijden, je maakt berekeningen en grafieken en na enige tijd heb je te veel los papier. Het is dan ook belangrijk een en ander geordend vast te leggen. Daarvoor is een logboek. Uit welke onderdelen bestaat een logboek? 1. TITELPAGINA 2. ALGEMENE GEGEVENS Met wie doe je het onderzoek samen, wie heeft je begeleid, wanneer vond/ vindt het onderzoek plaats? 3. INLEIDING Hier in schrijf je wat de bedoeling van het onderzoek is en omschrijf je het onderwerp. Formuleer je probleemstelling. 4. ONDERZOEKSVRAGEN Welke vragen wil je gaan beantwoorden? Als je in de loop van het onderzoek nieuwe vragen vindt, schrijf je die ook hierbij op. 5. DAGVERSLAGEN Per dag noteer je kort wat je hebt gedaan (bv. literatuurstudie, veldwerk, voorbereiding presentatie). Schrijf ook op met welke mensen je om welke reden contact hebt gehad. Welke problemen ben je toen tegengekomen en hoe heb je ze opgelost? Welke materialen heb je gebruikt? Schrijf eventueel korte samenvattingen van een gesprek op. 6. VERWORVEN INFORMATIE Deze komt op een (of meer) aparte bladzijden achter elk dagverslag. Dit is dus het resultaat van je werk van die dag. Hier schrijf je dus bv: - samenvatting van gelezen literatuur (noteer ook titels etc.) - uitwerking van interviews/enquêtes - uitwerking van veldonderzoek - lijst van gebruikt materiaal - voorlopige conclusies - terugkoppeling naar vorige dagen 7. EINDPRESENTATIE Hier staat een omschrijving van hoe je de eindpresentatie wilt doen. Wil je een tentoonstelling, dan beschrijf je hier hoe die er uit komt te zien, waar hij komt te staan, wanneer, hoe lang enz. Wil je een serie dia's, dan schrijf je op welke dia's en wat erop te zien is. 8. EINDEVALUATIE Formuleer hier de antwoorden op je onderzoeksvragen en een kernachtig antwoord op de probleemstelling. Ideeën voor een vervolgonderzoek horen ook hier, evenals je eigen mening over de probleemstelling en je werk. Ben je tevreden over de resultaten en waarom. 9. BRONVERMELDING Hierin staan, volgens de regels, alle boeken, tijdschriften en artikelen, die je voor dit onderzoek hebt gelezen en gebruikt. Tot slot: Werk iedere dag je logboek bij. Dat scheelt zeeën van tijd. 5.1.3. Interview Het interview kun je verdelen in: 1. de voorbereiding 2. het interview 3. de uitwerking 1. De voorbereiding. Verzamel gegevens over de persoon die je wilt interviewen. Wat je weet hoef je niet te vragen! Verzamel ook gegevens over het onderwerp waarover je je persoon wilt interviewen. Schrijf vervolgens op wat je je persoon wilt vragen. Wees erop bedacht, dat er twee soorten vragen zijn: - vragen over feiten - vragen over meningen Rangschik nu je vragen in een logische volgorde. Controleer of je één vraag tegelijk stelt en niet een samengestelde vraag. Probeer open vragen te maken die iemand uitnodigen om een uitgebreid antwoord te geven. Je wilt tenslotte zoveel mogelijk te weten komen. Heb je je vragenlijst klaar, zoek dan contact met de persoon die je wilt interviewen. Dit kun je op verschillende manieren doen: 1. Bel op om een afspraak te maken. 2. Ga op bezoek, stel je voor en vraag of je een afspraak voor een interview mag maken. 3. Schrijf een brief met dezelfde vraag. Zet in de brief een aantal data en tijden waarop je zelf kunt. Voeg eventueel de vragen toe, zodat de geïnterviewde zich op de vragen kan voorbereiden. Begin nooit met te zeggen: "Ik moet van school iemand interviewen", maar bijvoorbeeld met:"Ik wil graag iets weten over ... En ik denk dat u mij enorm zou kunnen helpen. Denk eraan: enthousiasme werkt aanstekelijk, maar een gebrek eraan ook. Spreek niet alleen plaats en tijd af, maar vraag ook hoe lang het interview maximaal mag duren. Leer de vragen uit je hoofd. Leen een cassetterecorder (met verlengsnoer). Neem een blocnote en pen mee om aantekeningen te maken. 2. Het interview Zorg dat je op tijd bent. Zie er verzorgd uit en wees beleefd. Stel je nog eens voor en vertel kort waarom je dit interview belangrijk vindt. Wil je het gesprek opnemen, vraag dan of daar geen bezwaar tegen is. Stel de vragen rustig. Praat niet met kauwgom in je mond. Kijk de persoon aan. Geef de tijd voor een antwoord. Als je een antwoord niet verstaat of begrijpt, zeg dat dan. Probeer zo nu en dan antwoorden in je eigen woorden samen te vatten. Als je al je vragen hebt gesteld, vraag dan of de geinterviewde nog iets heeft toe te voegen. Bedank voor het interview. Stuur de uitgewerkte tekst toe. Dat is bovendien een moment om nog eens schriftelijk te bedanken. 3. De uitwerking Je hebt nu de lijst met vragen, je aantekeningen en eventueel je band. Luister de band in zijn geheel na. Werk vraag voor vraag uit, eerst in klad, daarna in net. Begin je uitwerking met een beschrijving van datum, tijd en omstandigheden. Beschrijf kort de persoon en daarna de vragen. Geef tot slot een korte (eigen) indruk van je interview. 5.2. Schrijven van een werkstuk. 5.2.1. Layout Als je netjes wilt werken, doe dan het volgende: - Lever geen dingen in die met potlood zijn geschreven, gebruik bij voorkeur een vulpen of typ de tekst uit; - Houd altijd een BREDE kantlijn links en een smalle rechts aan; schrijf nooit in de kantlijn; - Gebruik een fatsoenlijk formaat papier en scheur het netjes af; - Streep iets dat fout is netjes door, gebruik geen andere manier om aan te geven dat iets fout is; - Sla tussen de diverse opgaven of onderdelen een regel over; - Schrijf of teken geen zaken op je papier die niets met het onderwerp te maken hebben. Aandacht voor lay-out Let bij het maken van teksten op de volgende regels: - papierformaat A4 - kantlijn: links breed en rechts smal - nummer de pagina's steeds op dezelfde plaats - zorg voor een goede regelafstand - begin ieder hoofdstuk op een nieuwe pagina - de paginanummers moeten overeenkomen met de nummers in de inhoudsopgave - voorzie de tekst van (tussen)kopjes - spring bij citaten in. Hier komt een voorbeeld. "Schoolboeken kunnen op twee manier worden aangeschaft; ofwel door zelf te kopen, ofwel via het boekenfonds" (1) - in de voetnoot vermeld je de bron van het citaat. - gebruik bij grotere werkstukken een kaft - maak nette tekeningen en grafieken en voorzie ze van een onderschrift en een nummer, zodat je er in de tekst naar kunt verwijzen. Let ook op: verdeling in alinea's witregels omkaderen van tekst de plaatsing op de bladzijde tekens (nummering bv.) het lettertype (als je met de computer werkt). (1) Stedelijk Gymnasium Schoolgids 1993-1994 blz. 26 5.2.2. De opbouw Hanteer in het algemeen voor een werkstuk de volgende indeling: I. TITEL Dit is vaak al de aanduiding van een thema, de hoofdzaak, of hij is een smaakmaker of een eye-opener II. INLEIDING Hierin vermeld je: a. het onderwerp b. waarom dit onderwerp? c. uit welke onderdelen bestaat dit onderwerp? d. een verantwoording waarom bepaalde aspecten juist niet of juist wel aan bod komen of extra de nadruk krijgen e. de vraagstelling (bijvoorbeeld: het onderwerp is "zure regen", de hoofdvraag waar je antwoord op hebt gezocht zou kunnen zijn: "Is zure regen inderdaad zo schadelijk als vaak wordt beweerd?") llI. INHOUD / MIDDENSTUK Het werkstuk wordt onderverdeeld in hoofdstukken (beginnen met de inhoudsopgave). Belicht je onderwerp van zoveel mogelijk kanten. IV. CONCLUSIE / SLOT Probeer onder woorden te brengen wat het resultaat of het belang is van jouw onderzoek. Heb je antwoord kunnen geven op de hoofdvraag? Zo ja (of misschien ten dele) valt het mee of tegen? Hoe ziet de toekomst eruit? Bijvoorbeeld: wat is de toepasbaarheid in onze tijd of in de toekomst? V. BRONVERMELDING Vermeld achterin je werkstuk op een aparte pagina naam, titel, plaats en jaar van uitgifte van boeken, die je gebruikt hebt. Geef titel en jaartal van film, video enz. Vermeld ook de naam en de functie van geraadpleegde personen. VI. Eventuele BIJLAGEN De definitieve indeling van een werkstuk is min of meer afhankelijk van het vak, waarvoor het werkstuk gemaakt wordt. Overleg dus met je docent(e). Mogelijke indelingen zijn: 1. Titelpagina titel, naam, klas, datum 2. Inhoudsopgave vermeld bij ieder onderdeel het paginanummer 3. Inleiding 4. De hoofdstukken 5. Conclusie 6. Bronvermelding of 1. Titelpagina 2. Inhoudsopgave 3. Korte samenvatting, een wervende tekst 4. Inleiding (met doel en vraagstelling) 5. Hypothese 6. Materiaal en methode 7. Resultaten 8. Conclusie 9. Discussie 10. Evaluatie 11. Bronvermelding 12. Bijlagen Zie ook: - Bijlage 1. Instructies voor het maken van een werkstuk bij het vak maatschappijleer. - Bijlage 2. Instructies voor het maken van een werkstuk in de natuurwetenschappen. - Scriptiewijzer bij het vak aardrijkskunde (vraag de docenten). 5.3. Evaluatie van een werkstuk. Wanneer je een werkstuk terug krijgt, staan er vaak opmerkingen van je docent(e) bij. Kijk deze goed door. Ben je het ermee eens? Wanneer je iets niet begrijpt, vraag het dan even na. Ook al kun je aan dit werkstuk niets meer veranderen, je kunt er wel van leren zodat een volgend werkstuk nog beter wordt. 6. Spreekbeurt. Voor het schrijven van een spreekbeurt kun je het beste hoofdstuk 5 over het maken van een werkstuk lezen. Bedenk wel dat een spreekbeurt vaak minder uitgebreid is dan een werkstuk. In dit hoofdstuk besteden we aandacht aan het houden van de spreekbeurt, de presentatie. 6.1. Spreken in het openbaar 1. Geboren vertellers zijn er niet veel. Misschien net zoveel als geboren docenten. Maar alles valt te leren. 2. Spreken in het openbaar moet je dus leren. Iedereen let opeens op ieder woord dat je zegt. Van de kleinste fout kun je voor een groep een rood hoofd krijgen. Je doet zoveel indrukken tegelijk op dat je er bang van wordt. 3. Er zijn goede hulpmiddelen tegen die angst. Je kunt beginnen met een aantal onzekerheden uit te schakelen. Bereid je goed voor. Het kan zinvol zijn je onderwerp met anderen uit te zoeken of te bespreken, zodat je zeker weet dat je geen onzin verkoopt. 4. Kijk vervolgens naar de vorm waarin je je verhaal giet. Neem dia's mee, fotomateriaal of muziek. Dat geeft jezelf houvast en het publiek de nodige afwisseling. Als je dingen laat zien, geef het publiek dan even de tijd om er naar te kijken en praat zelf niet door. Nu je verhaal goed in elkaar zit ga je naar jezelf als spreker kijken. 5. Zoek de plaats uit waar je wilt zitten of staan. Probeer uit hoe het daar voelt. Zitten achter een tafel is het veiligste, maar staan naast een tafel waarop je spullen liggen, kan ook een manier zijn. 6. Neem een rustige houding aan. Wiebelen met een voet, friemelen met je handen leidt het publiek af. 7. Het is heel belangrijk je publiek toe te spreken. Kijk de mensen dus aan. Dat stimuleert het luisteren enorm. Lukt je dat niet, kijk dan vlak over hun hoofden naar een punt achter in de ruimte. Niet te hoog, want dan wil iedereen weten wat je daar ziet. Ook niet te laag, je staat immers voor je plezier voor de groep. Nu je stem nog. 8. Articulatie: Spreek woorden duidelijk uit, ook de woorden aan het einde van een zin. 9. Volume: Spreek luid. Ook achterin wil men je horen. Het is zelden te luid. 10. Tempo: Spreek vlot, wat niet hetzelfde is als snel. Het is gauw te snel. Wat voor jou langzaam is, is voor het publiek precies goed. Houd oogcontact met je gehoor, dan zie je meteen of je dat goed doet. Mensen worden onrustig als het te snel of te langzaam gaat. Vraag gerust of ze je nog kunnen volgen. 11. Intonatie: De kans dat je heel eentonig praat is groot als je de tekst te goed uit je hoofd geleerd hebt of stukken tekst voorleest. Het is beter trefwoorden als hulpmiddel te hebben en de zinnen ter plekke te formuleren. 12. Oefen je spreekbeurt, bijvoorbeeld voor je ouders of vrienden. Tenslotte moet je jezelf een beetje opwarmen voor je met spreken begint (Denk aan warming-up bij sport). Zingen helpt goed. Ga dus zingend naar je spreekbeurt. Eet een appel, wat goed is voor de slijmvorming in je mond of drink wat water. Wacht tot iedereen bereid is te luisteren. Ontspan, haal een paar keer diep adem en zet laag in. Dan knijpt je keel niet dicht. En bedenk tenslotte, dat regels minder belangrijk zijn als je je enthousiasme voor je onderwerp weet over te brengen. Dan geeft het niet als je je eens vergist, stottert of wiebelt. Soms gaan regels niet op. Gelukkig maar. 7. Discussiëren. Bij een discussie telt ieders mening, dat betekent dat het gesprek niet gedomineerd mag worden door een of meer personen. Dat betekent ook dat je goed naar elkaar moet luisteren. Bij goed luisteren helpt en remt - rustig aankijken - ongeinteresseerd zitten en kijken - belangstellende houding - naar buiten zitten kijken - laten uitspreken - steeds onderbreken - positief reageren - dingen zeggen die er niet op slaan - kort samenvatten - met iemand anders fluisteren Bij prettig discussiëren helpt en remt - goed naar elkaar luisteren - door elkaar heen praten - open vragen stellen - over iets anders beginnen - beknopte eigen mening zeggen - lange verhalen houden - tot zoveel mogelijk anderen - apart in discussie gaan spreken - ongelijk toegeven - een nietes-welles spel - positief reageren - andermans mening respecteren - de ander aanvallen om zijn andere mening - zeggen: ik ben het niet met je - zeggen: je kletst...., (jij- boodschap) eens, omdat.... (ik-boodschap) -dus argumenteren - dus poneren Net als bij een vergadering helpt het als iemand (dat hoeft niet de voorzitter te zijn) regelmatig samenvat wat er is gezegd. Dit helpt bovendien om te controleren of alles goed begrepen is. Tot slot kan het handig zijn als iemand notuleert (=kort opschrijft wat wordt gezegd). Bijlage 1 1. Instructies voor het maken van een werkstuk bij het vak maatschappijleer Waaruit bestaat de opdracht? a. logschrift b. werkstuk c. presentatie A. Algemene informatie: 1. Onderwerp naar keuze d.w.z. - het onderwerp moet binnen het vak maatschappijleer vallen - er moet op gemakkelijke wijze aan voldoende materiaal te komen zijn - het onderwerp moet worden goedgekeurd via het logschrift (zie punt 5) - iedere leerling of groepje neemt een verschillend onderwerp! 2. Je mag alleen of met 2 of 3 personen aan het werkstuk werken; er wordt bij de waardering rekening gehouden met het aantal leerlingen dat aan de opdracht heeft meegewerkt. 3. Omvang van het werkstuk is moeilijk aan te geven; het is geheel afhankelijk van het onderwerp. Je moet globaal uitgaan van zo'n 20 à 40 blz. geschreven tekst. Let op: kwantiteit garandeert geen goed punt, het gaat om de inhoud! 4. Je krijgt op school ....... lessen om aan deze opdracht te werken. Eerste les op......... Inleverdatum werkstuk en logschrift......... Presentatielessen beginnen op........... 5. Wat is het logschrift en waarvoor dient het? Het logschrift is een gewoon schrift dat je regelmatig (wekelijks) inlevert met daarin vermeld de stand van zaken rond het verzamelen van materiaal en andere zaken je werkstuk betreffende. Je krijgt dan in je schrift iedere keer een reactie. De bedoeling voor de docent is om beter overzicht te houden en tijdig te kunnen ingrijpen als een werkstuk de mist in dreigt te gaan. Voor de leerling is het handig dat allerlei afspraken, tips en toezeggingen op schrift staan. Er kunnen later geen misverstanden ontstaan of zaken wel of niet zijn goedgekeurd. B. Hoe kun je het beste te werk gaan? 1. Bepaal eerst of je alleen of samen met een of twee andere leerlingen wilt werken. Let hierbij ook op het volgende: is de woonafstand misschien een belemmering om buiten de schooluren samen te werken? 2. Neem een onderwerp dat echt je belangstelling heeft; het is wel gemakkelijk als je er als iets van af weet. 3. Vermeld het onderwerp (bij voorkeur enkele onderwerpen) in het logschrift en lever dat uiterlijk in op......... 4. Zorg dat je binnen je groepje de taken eerlijk verdeelt, maak duidelijke afspraken (ook altijd in je logschrift vermelden). C. Het onderwerp is goedgekeurd - wat nu? 1. Je probeert een globaal overzicht te krijgen door bijv. een encylopedie te raadplegen. Daarna ga je jezelf afvragen welke aspecten je allemaal zou willen onderzoeken. Stel jezelf vragen over het onderwerp en zet deze op papier (logschrift). Voorbeeld: Windernergie - wat zijn de ervaringen met windenergie? - wat zijn de verschillen tussen vroeger en nu? - zijn er verschillende meningen over? - zijn er projecten waar dit nu in Nederland wordt toegepast? - wanneer is windenergie een goede keuze? Bepaal voor jezelf wat het belangrijkste doel is van jouw onderzoek naar windenergie. Bijvoorbeeld: te weten komen of windenergie een belangrijke bijdrage kan leveren aan de energievoorziening. Deze vraagstelling moet je in de inleiding vermelden. In de conclusie geef je o.a. antwoord op je vraagstelling. 2. Je gaat op zoek naar geschikt materiaal, dat kan bijv. bij: - de Lindenberg of andere bibliotheken - de schoolbibliotheek (denk ook aan de knipselmappen) - informatiecentra (energiewinkel, vrouwenarchief, centrum voor ontwikkelingssamenwerking enz.) - overheidsinstanties, let op! tijdig aanvragen - ambassades, ook hier tijdig aanvragen 3. Vermeld in je logschrift en later ook achter in je werkstuk alle geraadpleegde literatuur. Vermeld ook de instanties waarmee je contact hebt gehad. De bronvermelding gaat als volgt: schrijver, titel, jaar en plaats van uitgifte. Bij artikelen altijd naam en datum van het tijdschrift vermelden. 4. Als je literatuurlijst is goedgekeurd dan kun je aan de slag. Tijdens het lezen moet je (beknopte) aantekeningen maken. Het is handig als je een schrijfblok/ -schrift hebt waarbij je van tevoren bepaalt op welke bladzijde welke aantekeningen genoteerd worden. Bijvoorbeeld: op een bladzijde alles over "voorstanders van windenergie" op een andere pagina alles over "tegenstanders" enz. 5. Mocht je personen of instellingen persoonlijk willen benaderen dan altijd eerst met de docent(e) hierover kontakt opnemen. 6. Al lezende en schrijvende probeer je tot een definitieve indeling in hoofdstukken te komen; altijd laten goedkeuren!! 7. Indeling van het werkstuk: - voorblad met titel (eventueel ondertitel) - inhoudsopgave - inleiding - hoofdstukken (paragrafen) - conclusie - bronvermelding - in de inleiding vermelden: waarom je dit onderwerp hebt gekozen, waarom je het belangrijk vindt, de vraagstelling, kort weergeven hoe je het werkstuk hebt aangepakt, welke onderdelen de nadruk krijgen en waarom enz. - in de conclusie teruggrijpen op de vraagstelling, bijvoorbeeld aangeven dat voor een verantwoord antwoord andere (bijvoorbeeld niet verkrijgbare) info nodig is, aangeven hoe het onderwerp ervoor staat in de samenleving (bijvoorbeeld windenergie: kan grote betekenis krijgen / of juist geen, gelet op de argumenten die je al in een eerder hoofdstuk hebt aangedragen) enz. 8. Let er op dat de pagina's genummerd worden. 9. Zorg ervoor dat het werkstuk er verzorgd uit ziet. Bekijk eens een paar boeken, let op de bladspiegel en de indeling van de inhoudsopgave enz. 10.Het is de bedoeling dat anderen ook iets opsteken van wat jij onderzoekt. Nadat het werkstuk is voltooid is het de bedoeling dat iedereen het onderwerp presenteert voor de klas m.a.w. in 8 à 12 minuten geef je de kern weer van jouw onderwerp. Meer info hierover volgt. 11.Aanpak en werkstuk tellen mee als proefwerk. Presentatie telt mee als S.O. Succes!! Bijlage 2 HET MAKEN VAN EEN VERSLAG (korte versie) ADMINISTRATIE 1 INLEIDING 2 met daarin: 1: 2: 3: EXPERIMENT 3 4: 5: UITWERKING 4 met daarin: 6A: 6B: TOT SLOT 5 7: TITEL 6 JE NAAM EN DE NAAM VAN JE PARTNER 7 JE KLAS EN DE DATUM WAAROP HET EXPERIMENT IS UITGEVOERD 8 NIEUWSGIERIGHEID OF ANDERE REDEN VOOR JE ONDERZOEK 9 VRAAGSTELLING OF ONDERZOEKSVRAAG 10 VERONDERSTELLING OVER HET ANTWOORD (hypothese) 11 EXPERIMENT BEDENKEN EN BESCHRIJVEN (Lijst met benodigdheden; opstelling tekenen én beschrijven) 12 experimenten uitvoeren---------> WAARNEMINGEN DOEN (tabellen) 13 VERWERKEN VAN DE METINGEN (Grafieken en tabellen) 14 CONCLUSIES TREKKEN -------> VERONDERSTELLING CONTROLEREN (Nauwkeurigheid Metingen) 15 DISCUSSIE: - Nauwkeurigheid - Vergelijkingen met literatuur (-waarde) 16 BRONVERMELDING 17 1. Opzet en uitvoering van een onderzoek in de natuurwetenschappen Beschrijvende en experimentele onderzoeken hebben een aantal kenmerken gemeenschappelijk. Het verloop van een onderzoek vindt voor beide vormen dan ook plaats volgens een vaste natuurwetenschappelijke methode. Het is de bedoeling dat je deze methode ook zelf gaat volgen bij het doen van je onderzoek. Toch zijn er ook verschillen: 1. Bij experimenteel (hypothesetoetsend) onderzoek worden alle hieronder beschreven fasen doorlopen. 2. Bij experimenteel onderzoek doe je, nadat je conclusies hebt getrokken, uitspraken over de houdbaarheid van je hypothese (fase F). Hieronder volgt nu de beschrijving van de natuurwetenschappelijke methode, waarbij in een vaste volgorde de volgende fasen worden doorlopen. A. WAARNEMING Vanuit een stukje verwondering, interesse en belangstelling heb je een waarneming gedaan, die een of meer vragen onbeantwoord laat. De vragen hebben formuleringen zoals deze: "Hoe kan het nou dat ..." of "Wat zal er gebeuren met ...". Je bent nieuwsgierig naar mogelijke antwoorden op de vragen. De antwoorden kunnen formuleringen hebben zoals: "Misschien komt het omdat ....", Misschien gebeurt er wel ...". Je gaat zo nauwkeurig mogelijk analyseren op welke vragen je een antwoord wilt, andersgezegd: je gaat uiteenrafelen welk probleem je wilt oplossen. Een belangrijke vraag hierbij is of het probleem in principe wel oplosbaar is. Je doet literatuuronderzoek om na te gaan wat er al over dit probleem bekend is. B. FORMULERING PROBLEEMSTELLING Nu ga je vragen formuleren naar aanleiding van je waarneming: je gaat een of meer probleemstellingen formuleren. Probleemstellingen moeten aan een aantal voorwaarden voldoen. 1. De probleemstelling mag niet te algemeen geformuleerd zijn. Slecht voorbeeld: Wat is de invloed van licht op plantengroei? Goed voorbeeld: Wat is de invloed van zonlicht op de lengtegroei van bonenplanten? 2. De probleemstelling mag maar één probleem tegelijk bevatten. Slecht voorbeeld: Vindt er verdamping plaats aan de bovenzijde van het blad, aan de stengel en aan de bloemen? Goed voorbeeld: Op welk gedeelte van het blad vindt er verdamping plaats? 3. In de probleemstelling mogen geen details over de uitvoering van het onderzoek worden vermeld. Slecht voorbeeld: Wat is de invloed van 10 C, 15 C en 20 C op het kiemingspercentage van bonen? Goed voorbeeld: Wat is de invloed van de temperatuur op het kiemingspercentage van bonen? 4. In de probleemstelling mogen geen dubbelzinnigheden voorkomen. Slecht voorbeeld: Wat is het belang van licht op de groeirichting van de brandnetel? Goed voorbeeld: Waardoor buigt de stengel van een brandnetel naar het zonlicht? In het algemeen kun je zeggen dat wanneer je je onderzoeksvraag goed formuleert, je er een hypothese bij kunt maken. C. FORMULERING HYPOTHESE Nadat je de probleemstelling hebt gekozen en er de nodige informatie over hebt verzameld ga je één of meer hypotheses opstellen. Een hypothese is een voorlopig antwoord op de probleemstelling, die door jou onderzocht gaat worden. Je zegt hierin wat je verwacht dat het antwoord zal zijn, met de kennis die je nu hebt. Net als de probleemstelling moet ook de hypothese aan een aantal voorwaarden voldoen. 1. De hypothese mag maar één oplossing bevatten. Slecht voorbeeld: Er vindt verdamping plaats aan de bovenkant of aan de onderkant van het blad. Goed voorbeeld: Er vindt verdamping plaats aan de bovenzijde van het blad. 2. De hypothese moet toetsbaar zijn. Slecht voorbeeld: Het komt bij chrysanten voor, dat verdamping aan de bovenzijde van het blad plaatsvindt. Goed voorbeeld: De verdamping vindt bij chrysanten plaats aan de bovenzijde van het blad. 3. De hypothese moet aansluiten bij de probleemstelling. Slecht voorbeeld: Verdamping vindt overal plaats waar zich huidmondjes bevinden. Goed voorbeeld: De verdamping vindt bij chrysanten plaats aan de onderkant van het blad. D.I BESCHRIJVING VAN HET EXPERIMENT Nu ga je in een werkplan (zie lange-termijnopdracht) zeer nauwkeurig beschrijven hoe je het onderzoek gaat uitvoeren. Het werkplan moet daarom de vorm krijgen van een kookboekrecept. In het werkplan moeten vijf rubrieken worden opgenomen: 1. Welk organisme en/of welk (dierlijk/plantaardig) materiaal wordt onderzocht? (Bio) Maak een tekening van de opstelling (na/sk) 2. Welke werkwijze gaat gevolgd worden? Bij een experimenteel onderzoek moet je vaak ook een blanco-proef doen. 3. Welke instrumenten en/of chemicalien moeten worden gebruikt? 4. Hoe is de tijdsplanning? (In en buiten de les). 5. Welke gegevens worden verzameld en hoe worden die geregistreerd? (tabellen etc.). Dit werkplan lever je in bij je docent. Na goedkeuring van je werkplan kun je beginnen met de uitvoering van je onderzoek. D.II UITVOERING VAN HET EXPERIMENT Voor experimenteel onderzoek houdt de uitvoering van je werkplan onder meer in: - materialen verzamelen (organismen, instrumenten, enz.); - de proefopstelling bouwen; - factoren die de observaties beïnvloeden constant houden of elemineren; - het onderzoek uitvoeren volgens de beschreven methode; - het benodigde aantal observaties doen (tijdens het experiment) - gegevens nauwkeurig registreren. E. I VERWERKING RESULTATEN Tijdens de uitvoering van je werkplan heb je je waarnemingen vastgelegd in de vorm van beschrijvingen, tekeningen en/of getallen. Na de uitvoering van het werkplan ga je de gevonden resultaten verwerken om te komen tot een overzichtelijke presentatie. Let hierbij op de volgende aandachtspunten: 1. Bij de resultaten moet je alle gegevens, die je hebt verzameld, weergeven, ook degene die je niet direct verwachtte. Het kan verleidelijk zijn onverwachte of negatieve resultaten niet te vermelden. Voor een juist inzicht in hoe je onderzoek is verlopen, is het echter essentieel dat je de resultaten volledig en ongekleurd weergeeft. 2. Resultaten kunnen in tabelvorm, in grafiekvorm of beschrijvend (met figuren) worden weergegeven. Betreffen de waarnemingen meetresultaten, dan moeten de weergegeven resultaten aan een aantal voorwaarden voldoen: - ze moeten een onderschrift hebben; - er moet duidelijk worden aangegeven om welke variabelen het gaat; - de nauwkeurigheid van de meetgegevens moeten worden vermeld, voorbeeld: de openingstoestand van het huidmondje is bij een CO2 gehalte van 0.1: 10 µm ± 2 µm. 3. Fouten, die je zelf bij de uitvoering van het onderzoek hebt gemaakt, worden hier nog niet vermeld. Dit komt pas aan de orde in de discussie. 4. Bij de weergave van de resultaten mag je nog geen interpretaties vermelden en ook nog geen conclusies trekken. E. II CONCLUSIES TREKKEN Nu ga je uit je uit je resultaten conclusies trekken. Ook de conclusies moeten voldoen aan een aantal voorwaarden. 1. De conclusies moeten direct volgen uit de resultaten. Theoretische kennis over de te verwachten resultaten mag hierbij geen rol spelen. 2. De conclusies moeten specifiek zijn. Wanneer je bijvoorbeeld de verdamping via bladeren bij chrysanten onderzoekt, formuleer je de conclusies specifiek voor chrysanten en niet voor planten in het algemeen. 3. Er mogen in conclusies geen dubbelzinnige termen voorkomen. Het is een grote kunst de conclusies zo te formuleren dat zij niet te stellig zijn (in feite niet door de resultaten worden gerechtvaardigd bijvoorbeeld: zalmen reageren alleen op visuele prikkels) en ook niet te voorzichtig zijn (wanneer de resultaten stelliger uitspraken toelaten bijvoorbeeld: zalmen vinden hun weg terug m.b.v. zintuigen). Nadat je conclusies hebt getrokken ga je na of je conclusies in overeenstemming zijn met de door jou gestelde hypothese(s). Een goed gestelde hypothese kan na het onderzoek alleen maar juist of onjuist blijken. De volgende omschrijvingen zijn dus fout: - De hypothese klopt vrij aardig / klopt ongeveer / klopt min of meer. F. DE DISCUSSIE Nu volgt de laatste fase van je onderzoek: de discussie. In deze fase komen bij beschrijvend en experimenteel onderzoek de volgende zaken aan bod: 1. Meetfouten die je tijdens de uitvoering van het onderzoek hebt gemaaktworden hier besproken. Tevens ga je na wat de mogelijke invloeden van fouten zijn geweest op de resultaten van het onderzoek. 2. Je geeft hier suggesties met betrekking tot - verbetering van methode van onderzoek - mogelijkheden voor vervolgonderzoek. 3. Je probeert een verklaring te geven voor de gevonden resultaten. Hierbij kan theoretische kennis van belang zijn. 4. Wanneer je hypothese onjuist blijkt te zijn, ga je hiervoor een verklaring zoeken en stel je een nieuwe hypothese op. 5. Eventueel vervolgproef: naar aanleiding van je experiment kan je het een en ander opgevallen zijn dat nadere uitwerking behoeft. DE BLANCO-PROEF Bij experimenteel onderzoek wordt vaak gebruik gemaakt van een blanco- experiment. Zo wordt bij onderzoek naar de werking van geneesmiddelen altijd gewerkt meteen groep proefpersonen die het medicijn krijgt toegediend, en een controlegroep, die een "nep" medicijn (placebo) krijgt. Je voert een blanco-proef uit om te voorkomen of uit te sluiten dat andere factoren dan de factor die je onderzoekt, ongemerkt de resultaten beinvloedt. Voorbeeld: Erlenmeyer A en B staan beide in een waterbad van 37 C. In A zit zetmeel, speeksel en jodium. In B zit zetmeel en jodium. A en B zijn bij aanvang blauw gekleurd. Bij A ontkleurt de oplossing na enige tijd. B blijft blauw. De conclusie is dan duidelijk: het ontkleuren komt door de aanwezigheid van speeksel. Het wordt niet veroorzaakt door de temperatuur van 37 C, of doordat de vloeistof in de erlenmeyers in contact is met de buitenlucht. Erlenmeyer B is hier de blanco-proef. OPBOUW EN UITERLIJK VAN HET VERSLAG Het schrijven van het verslag is een van de lastigste fasen van je onderzoek. Je moet je onderzoek namelijk zo beschrijven, dat iemand die nog niets van je onderzoek weet, kan begrijpen wat er allemaal is gebeurd. Aan welke voorwaarden een verslag moet voldoen wordt hierna uiteengezet. Daarbij maken we onderscheid tussen: a. de opbouw van het verslag en b. het uiterlijk van het verslag. A. De opbouw van het verslag In je verslag moeten alle fasen van het onderzoek worden beschreven. Een goede indeling is: 1. Titelpagina De titel is kort en geeft weer wat het hoofdonderwerp in het verslag is. Op deze pagina staat tevens vermeld: de namen van de onderzoekers, het schooljaar, de naam van de begeleidende docent(e) en de datum van inlevering. 2. Inhoudsopgave Deze vermeldt hoe het verslag is opgebouwd en op welke bladzijde wat de vinden is. 3. Inleiding Hierin geef je aan wat de reden was om aan het onderzoek te beginnen en met wie je het onderzoek hebt gedaan. Tevens vermeld je hier hoe de definitieve onderwerpkeuze tot stand is gekomen en welke probleemstelling(en) je hebt onderzocht. Tenslotte geef je de door jou geformuleerde hypothese(n) weer. 4. Materiaal en methode Deze staan beschreven in je werkplan en neem je in je verslag over. 5. Resultaten In dit hoofdstuk geef je overzichtelijk weer wat de resultaten zijn. Zijn het er teveel, neem ze dan op in een bijlage en geef hier alleen de samenvatting van de resultaten. 6. Conclusies Hier geef je de conclusies uit de resultaten en doe je, wanneer je experimenteel onderzoek hebt gedaan, een uitspraak over je hypothese(n). 7. Discussie Hier geef je een korte nabeschouwing van je werk. Denk hier ook aan de aandachtspunten op blz. 26. 8. Literatuur Hierbij geef je twee overzichtslijsten 1. Je geeft een alfabetisch overzicht van de namen van de auteurs die je in je verslag aangehaald hebt. Vermeld bij iedere auteur de titel van zijn werk en het jaar van uitgifte. Verwijs in je verslag naar deze literatuur door de naam van de auteur en het jaartal tussen haakjes te schrijven achter zijn informatie. Voorbeeld: (Braunwell et al.1973) is: Braunwell, A. Chearrin, D and Whitfield, G.R. Biomechanics of Pteranodon, 1973. 2. Je geeft een alfabetisch overzicht van de auteurs, die je wel als bron hebt gebruikt, maar niet in je verslag hebt aangehaald. Vermeld ook hier de titel van het werk en het jaar van uitgifte. 9. Bijlagen Deze bijlagen bevatten informatie die niet direct in je verslag past, maar wel goed is om te weten. Verwijs in je verslag naar deze bijlagen. B. Het uiterlijk van het verslag Heel belangrijk is, dat het verslag goed en plezierig te lezen is. Hieronder volgen enkele punten die daartoe kunnen bijdragen. 1. Typen of schrijven Typ je verslag of schrijf duidelijk. Maak gebruik van papierformaat A4, en gebruik maar een kant van het papier. Voorkom doorhalingen. Vermijd al te lange zinnen en maak gebruik van leestekens. 2. Eigen tekst Schrijf je tekst zelf. Schrijf dus niet hele stukken over uit boeken. Het moet jouw verslag worden. Als je tekst aanhaalt, vermeld je dat. 3. Bladspiegel Dit betreft de indeling van de bladzijde. Zorg voor voldoende ruimte aan boven-, onder- en zijkant (kantlijn). Een bladzijde met tekst van boven- tot onderaan ziet er niet aantrekkelijk uit. Maak gebruik van alinea's, zodat op het eerste gezicht duidelijk is wat bij elkaar hoort. Witte ruimten geven bovendien rustpunten tijdens het lezen aan. 4. Hoofdstukken Geef duidelijk aan wanneer je met een nieuw hoofdstuk of een nieuwe paragraaf begint. Begin elk hoofdstuk op een nieuwe bladzijde. 5. Illustraties Illustraties, tabellen en grafieken moeten altijd zijn voorzien van een nummer en een onderschrift, zodat in de tekst hiernaar verwezen kan worden. Tevens moeten ze een duidelijke functie hebben op de plaats in het verslag waar ze staan. Teken de figuren met behulp van een lineaal als dat nodig is. Bijlage 3 De termen en tekens die gebruikt worden bij de redekundige ontleding 1. PERSOONSVORM Ik heb je dat verhaal gisteren verteld ( ) 2. WERKWOORDELIJKE REST Ik heb je dat verhaal gisteren verteld v/h GEZEGDE { } 3. NAAMWOORDELIJK DEEL Ik was ziek v/h GEZEGDE [ ] 4. ONDERWERP Ik was ziek ( ) 5. VOORLOPIG ONDERWERP Het is waar, dat ik ziek was 6. LIJDEND VOORWERP Ik heb je dat verhaal gisteren verteld 7. VOORLOPIG LIJDEND Ik heb het je verteld, dat ik ziek was VOORWERP 8. MEEWERKEND VOORWERP Ik heb het je verteld 9. BIJWOORDELIJKE BEPALING Ik heb je dat verhaal gisteren verteld 10. BIJVOEGLIJKE BEPALING Ik heb je dat leuke verhaal gisteren verteld 11. NEVENSCHIKKEND Ik heb hen geholpen en ben daarna VOEGWOORD weggegaan 12. ONDERSCHIKKEND Ik heb hen geholpen, omdat zij VOEGWOORD het zelf niet konden N.B. De volgorde van bovenstaande termen is NIET willekeurig. De term GEZEGDE gebruiken we wel (na de pv zoeken we het hele gezegde), maar er is geen apart teken voor nodig; we verstaan eronder: pv en werkwoordelijk of naamwoordelijke rest. Bijlage 4 TAALKUNDIGE BEGRIPPEN |Nederlands|Klassieken |Engels |Frans |Duits | |zelfst. nw|substantivum |noun |1e nom |das | | | | | |Substantiv | |lidwoord |--- |article |l'article |--- | |bep. |--- |defenite |défini |--- | |onbep. |--- |indefenite |indéfini |--- | |bijv. nw. |adiectivum |adjective |adjectif |--- | |voornw. |pronomen |pronoun |1e pronom |--- | |pers. vnw.|p personale |personal p |p personnel |--- | |bez. vnw. |p possessivum|possessive p |p possessif |--- | |vrag. vnw.|p |interrogative|p |--- | | |interrogativu|p |interrogatif| | | |m | | | | |aanw. vnw.|p |demonstrative|p |--- | | |demonstrativu|p |démonstratif| | | |m | | | | |onbep. |p indefinitum|--- |p indéfini |--- | |vnw. | | | | | |betr. vnw.|p relativum |relative p |p relatif |--- | |wederk. |p reflexivum |--- |--- |--- | |vnw. | | | | | |voorz. |prepositie |preposition |la |die | | | | |préposition |Präposition | |bijwoord |adverbium |adverb |l'adverbe |--- | |werkw. |verbum |verb |le verbe |das Verb | |zelfst. |--- |--- |--- |--- | |ww. | | | | | |hulp ww |--- |auxiliary |v auxiliaire|[das | | | | | |Modalverb] | |hww toek. |--- |--- |--- |--- | |t. | | | | | |koppelww. |--- |--- |--- |--- | |telwoord |--- |--- |le nombre |--- | |hfd.tlw. |--- |--- |--- |--- | |rangtlw. |--- |--- |--- |--- | REDEKUNDIGE BEGRIPPEN |Nederlands |Klassieken |Engels |Frans |Duits | |persvorm |--- |--- |--- |--- | |gezegde |predicaat |predicate |--- |--- | |naamw.gez. |--- |--- |--- |--- | |nwdeel |predicaatsno|--- |--- |--- | | |men | | | | |onderwerp |subject |subject |sujet |--- | |lijd. vw |object |object |object |--- | | | | |direct | | |meew. vw |indirect |indirect |object | | | |object |object |indirect | | |dubbel verb. |predicatieve|--- |--- |--- | |bep. |bep. | | | | |bijw. bep. |--- |--- |--- |--- | |bijv. bep. |attributieve|--- |--- |--- | | |bep. | | | | |bedrijvende |activum |active |l'actif |--- | |vorm | | | | | |lijdende vorm|passivum |passive |forme |--- | | | | |passive | | |--- |medium |--- |--- |--- | OVERIGE BEGRIPPEN |Nederlands |Klassieken |Engels |Frans |Duits | |Getal | | | | | | | | | | | |enkelvoud |singularis |--- |singulier |--- | |meervoud |pluralis |plural |pluriel |--- | |Geslacht | | | | | | | | | | | |mannelijk |masculinum |--- |masculin |männlich | |vrouwelijk |femininum |--- |féminin |weiblich | |onzijdig |neutrum |--- |--- |sächlich | |trap van verg| | | | | | | | | | | | |comparativus |--- |comparatif |--- | |vergrotende |superlativus |--- |superlatif |--- | |overtreffende| | | | | |tijd/aspect | | | | | |tegenw. tijd | | | | | |verleden tijd|praesens |--- |le présent |das Präsens | | |imperfectum |--- |l'imparfait |das Imperfekt| |toek. tijd |futurum |--- |le futur | | |--- |aoristus |--- |--- |--- | |(v.t.t.) |perfectum |--- |le passé |--- | |(v.v.t.) | |--- |simple |das Perfekt | |--- | | |le p composé | | | |plusquamper-f|--- |--- | | |--- |ectum | | |das | | |futurum |--- |--- |Plusquam-perf| | |exactum | | |ekt | | | | | |--- | |wijze |modus |--- |--- |--- | | | | | | | |aantonende |m indicativus|--- |--- |der Indikativ| |aanvoegende | |--- |le subjonctif| | | |m coniunc- | | |der Konjunk- | |--- |tivus |--- | |tiv | |gebiedende |m optativus |--- |le subjonctif|--- | |onbepaalde |m imperativus|--- | |der Imperativ| | | | |l'impératif | | | |m infinitivus| |l'infinitif |der Infinitiv| |deelwoord |participium |--- |--- |--- | |voltooid |p perfectum |past |participe |--- | | |passivum |participle |passé | | | |(p.p.p.) | | | | |tegenwoordig |p. praesens |present |participe |--- | | |activum |participle |présent | | | |(p.p.a.) | | | | |overgankelijk|transitief |--- |transitif |--- | | | | | | | |ww |intransitief |--- |intransitif |--- | |onoverg. ww | | | | | |vervoeging |coniugatie |--- |conjugaison |--- | |verbuiging |declinatie |--- |--- |--- | |directe rede |oratio recta |direct speech|--- |--- | |indirecte r. |o obliqua | |--- |--- | | | |indirect sp. | | | Bijlage 5 Het gebruik van het woordenboek De titelwoorden in een woordenboek staan in alfabetische volgorde (a b c d e f g h i j k l m n o p q r s t u v w x y z) De letter ij wordt opgevat als een combinatie van i en j en staat dus ook daar. Achterin het alfabet staat de y van yoghurt. Woorden die met dezelfde letter beginnen staan in alfabetische volgorde van hun tweede of derde letter enz. Eerste en laatste woorden: Boven aan elke bladzijde van je woordenboek vind je het eerste en laatste woord van die bladzijde. Kijk ernaar als je op zoek bent naar een woord. Je ziet dan snel of je op de goede bladzijde bent. Opslaan en openslaan: Als je bij het zoeken van een woord een bepaalde letter moet hebben, sla dan het woordenboek ongeveer daar open: M bijvoorbeeld in het midden. Vervoegde en verbogen woorden: Als je een vervoegd werkwoord en een verbogen woord wilt opzoeken, moet je het woord kennen waarvan het is afgeleid (het grondwoord) want alleen dat woord staat in het woordenboek. De Romeinse cijfers I, II enz.: Voor een woord betekenen dat een woord wel hetzelfde geschreven is, maar twee of meer verschillende betekenissen heeft, die niets met elkaar te maken hebben. De Arabische cijfers 1, 2 enz.: Betekenen dat een woord meerdere betekenissen die iets met elkaar te maken hebben, heeft. Ze behoren bijvoorbeeld tot verschillende woordsoorten. Afkortingen: Er zijn twee soorten afkortingen. 1. De redactionele afkortingen vind je voor in het woordenboek. 2. De algemene afkortingen staan in het woordenboek telkens bij het begin van een letter en worden algemeen gebruikt. De lettertypen verschillen ook. Er zijn vier soorten. Vet gedrukt : voor de titelwoorden cursief gedrukt : voor de betekenissen en voorbeeldwoorden normaal gedrukt : voor de overige tekst g e s p a t i e e r d : voor andere titelwoorden waarnaar verwezen wordt Andere tekens: - vervangt het titelwoord, het eerste deel of voorvoegsel van een titelwoord, of de stam bij aanduiding van het meervoud ' staat achter de lettergreep met klemtoon () staat om een tweede mogelijkheid, en om de betekenis omschrijvingen [ ] staat om een tussengevoegde verklaring. Het klemtoonteken: Het belang van het klemtoonteken wordt duidelijk als we twee soorten woorden met elkaar vergelijken die zich van elkaar alleen onderscheiden door een andere plaats van de klemtoon. o'verleggen betekent heel wat anders dan overleg'gen. EXTRA'S: - Sommige woordenboeken geven aan vanuit welke taal een woord in het Nederlands is overgenomen. - Soms vind je ook in fonetisch schrift (=klankschrift) hoe je een woord moet uitspreken. - In sommige woordenboeken staat een overzicht van de titulatuur. - Soms staan achterin spreekwoorden en gezegden. Bijlage 6 De leerdoos Je eigen manier om gemakkelijk te leren! Ook jij bent vast wel eens moedeloos geworden van de hoeveelheid kennis die je in je kop moet stampen. Iedere dag opnieuw. En tegen de tijd dat je een proefwerk hebt, ben je eigenlijk de helft alweer vergeten. Dus hebben we voor jou de "leerdoos" ontwikkeld. Een systeem dat je helpt gemakkelijker en sneller te leren en waardoor je beter onthoudt! Wat is je probleem? Als je vandaag bijvoorbeeld 20 Engelse woordjes leert, ben je er morgen minstens 7 weer vergeten. Leer je dan alleen die 7 woordjes, dan ben je overmorgen weer een stuk of wat vergeten van die 13 die je wèl kende. dus je hebt het gevoel dat je ze nooit alle 20 kunt onthouden. Zo leer je veel sneller, beter en gemakkelijker! Leren is eigenlijks niets anders dan herhalen en begrijpen wat je hebt herhaald. Met het "leerdoos-systeem" herhaal je de stof die je moet kennen regelmatig-maar niet vaker dan nodig is. Op deze manier kun je de tijd die je aan leren besteedt misschien wel tot de helft terugbrengen! In de praktijk is gebleken dat dat inderdaad mogelijk is. "Maak een kaartenbak", en koop een pakje systeemkaarten in de kantoorboekhandel met de minimale afmetingen van 10x15 centimeter, die kun je in een sigarenkistje zetten, of haal in de supermarkt een lege doos die je op het goede formaat afsnijdt. Verdeel de kaartenbak in vier vakken, volgens de indeling op de tekening (ieder volgend vak is steeds iets groter). Zo werkt de Leerdoos Je pakt een kaartje en schrijft op de ene kant 3 vragen of 5 tot 10 woordjes. Op de andere kant schrijf je de antwoorden op de vragen of de vertaling van de woordjes. Zo maak je net zo veel kaartjes als nodig is. Dan leer je wat er op de kaartjes staat. Elk kaartje dat je kent, zet je in vak 1 van de leerdoos. Op vak 1 staat maandag-dinsdag-woensdag-enzovoort, alle dagen van de week dus. Dat betekent dat je de kaartjes die in vak 1 staan, iedere dag herhaalt. Van vak 1 naar vak 2 Als je een paar dagen een kaartje uit vak 1 echt helemaal kent, zet je het in vak 2 van de leerdoos. Daarop staat dinsdag en vrijdag. Dat betekent dat je de kaartjes die in vak 2 staan, alleen nog maar op dinsdag en vrijdag herhaalt. Dus niet meer 7 keer per week, maar slechts 2 keer. Blijkt nu dat je een kaartje toch niet helemaal meer kent, dan verhuist het weer naar vak 1. Van vak 2 naar vak 3, van vak 3 naar vak 4 Kaartjes uit vak 3, die je op de herhaal-woensdag kent, gaan naar vak 4. Daarop staat: 5e van de maand. Dus de kaartjes die je na een hele week kent, herhaal je vanaf nu nog maar 1 keer per maand. Ken je het kaartje nog helemaal na 1 maand, dan ken je het ècht goed. Dat kaartje mag dan uit de leerdoos. Maar: een kaartje dat je geheel of gedeeltelijk bent vergeten, gaat helemaal terug naar vak 1. Zodat je het weer een paar dagen lang iedere dag herhaalt. Tot je het weer kent, dan mag het naar vak 2 en later weer naar vak 3 en 4. De Leerdoos voor verschillende vakken Je kunt meer doen met de leerdoos dan woorden, begrippen of formules leren. Je kunt de leerdoos ook gebruiken voor uittreksels van boeken. Maar pas dan op dat je leerdoos niet overvol en dus onoverzichtelijk wordt. Gebruik dan liever voor ieder vak een aparte leerdoos. Veel succes. Bijlage 7 Schema's I. |Hoofdkopjes |Bijzonderheden | | | | | | | | | | | | | II. III.